Ooit werd ik aangesproken door een heel vriendelijke mevrouw die nogal stijl in de leer bleek, ze was Gereformeerd Vrijgemaakt. Ik had op de televisie eens de medaille laten zien die aan de ketting om mijn broze nek hangt: de Genesiuspenning. Ooit van Fred Astaire geweest, ooit van Wim Sonneveld. Ik kreeg hem van dienst partner Huub Janssen na Wim's dood, nu alweer bijna 25 jaar geleden. De Heilige Genesius is de partroon van de toneelspelers. Genesius liet zich ten tijde van het vroege christendom, in het geniep dopen. Nou ja, zo in het geniep was het nu ook weer niet, want hij speelde een waar die doop in voorkwam. Maar in werkelijkheid werd hij dus echt gedoopt, op de planken. Daarvoor werd de acteur lelijk gemarteld tot de dood er op volgde. Vandaar. Ik kreeg de onderscheiding voor 'zinnig en elegant amusement' , in 1975 en ik was er reuze van in mijn noppen.
Die aardige mevrouw gunde het me zeer, daar niet van, maar achtte een en ander toch een vorm van afgoderij. En verder vond ze het best en de groeten aan uw lieve vriend. Zo stijl zijn aardige mensen dus nummer. Ik ga in zoverre met haar mee dat ook ik niet erg vóór kettingen om de nek ben, in principe, maar het kost- en draagbare zit 'm in het artikel zelf. Er zit achter mijn Sonneveld-Genesiuspenning een ander verhaal, behalve dat van de heilige. Of, in mijn geval, de twéé heiligen, de drie heiligen, omdat ik de heer Astaire ook hoog heb zitten. Ik heb aan Frank, 'de lieve vriend', eens een hangertje gegeven ter gelegenheid van de eerste try-out van Amerika Amerika, onze mega-musical van 1981-'82-'83: een kruisje, een ankertje en een hartje, gevat in een rondje. Paulus schrijft in zijn brief aan de Korinthiërs: 'Geloof, hoop en liefde, deze drie.' Dat betekent voor mij dus het draagbare van zo'n sieraad. Met geloof, hoop en liefde kun je het leven leven en ik ben er eigenlijk van overtuigd dat dit de enige manier is om er door te komen. De mens bezit de mogelijkheid om te geloven en te hopen. De mens kan liefde geven en ontvangen.
Geloof, hoop en liefde. Dat is niet niks en de gebruiksaanwijzing ligt, althans voor mij in het woord dat Johannes optekende: 'Als gij Mij liefhebt, zult ge mijn geboden onderhouden. En wie Mij liefheeft, zal door de Vader bemind worden: ook Ik zal hem beminnen, en Ik zal Mij aan hem openbaren' Ja zeg, ik en maar een gewoon mens. En mijn 'onderhouden der geboden' geeft derhalve veel gezucht. Heiligen vonden dat misschien een peuleschil, zij flikten dan ook aan de lopende band de stoutste staaltjes: ze hongerden tot zij een ons wogen, sleepten zich melaats door de straten, hakten hun mantel doormidden, weet ik veel ( en ik weet er best iets van). Ja, wij zijn daar gek! Je moet wel bijna heilig zijn om geen moeite te hebben met die opdracht. Toch zijn er van die knapperds. Fransiscus van Assisi was er zo een. En Maria, de moeder van Jezus. En Albert Schweitzer en Martin Luther King en Moeder Theresa. Maar ik? Ik doe mijn best. Maar de Man van Nazareth zei niet tegen de mensen: 'Ga de straat op en getuig van Mij!. Hij zei: 'Ga de straat op en pas Mij toe...' Verliezers zijn wij zowat van nature. We hebben ere in al die jaren dat wij mochten rondscharreren op het Ruimteschip Aarde maar weinig van gebakken.
Maar hopen, geloven en in liefde proberen kunnen we altijd en we hebben altijd een spiekbriefje bij de hand. Een anker, een kruis, een hart, het kan ons nieren. Een in goud gevat sieraad is daar het symbool van. De Gereformeerd Vrijgemaakte mevrouw zal het me met eens zijn. En in dat verlengde mag Genesius ook, toch?
Jos Brink
Februari 1998, De Duif Amsterdam.
| HGL Nummer
02/98 |