"O God, verleen de koning uw recht, en uw gerechtigheid de zoon des konings." Het is niet voor niets dat ik voor deze column grijp naar psalm 72: dit oude lied van Israël is een van de belangrijkste koningspsalmen en Koninginnedag komt er aan. De diep in ons volk gewortelde traditie om één dag per jaar feest te vieren ter ere van de vorstin geeft echter ook aanleiding tot enig gepeins. Onze souvereine is Koningin bij de gratie Gods. Het wil niet zeggen dat het Opperwezen haar persoonlijjk heeft geroepen tot deze zware taak. Het betekent veeleer dat je honderdmaal koning kunt zijn, maar je opdracht ontleen je toch altijd aan de grote Koning. De aard van het koningsschap en hoe deze functie in te vullen wordt in psalm 72 bijzonder benadrukt. De koninklijke waardigheid was in de meeste rijken in de oudheid van religieuze aard. Bij de Babyloniëers, Kretenzers. Spartanen, Romeinen en Germanen had hij een religieuze positie en verrichtte religieuze handelingen. De koning was verantwoordelijk voor het welzijn van het rijk. In naam heeft onze landsvrouwe die verantwoordelijkheid ook nog, maar vroeger was de koning aanspreekbaar op zaken als vruchtbaarheid van volk en vee, regenval, oorlog en vrede.
Het klassieke land van de koningscultus is Egypte. De koning werd geïdentificeerd met de zonnegod Horus en sinds de vijfde dynastie, 2500 voor Christus, gold de koning als de lichamelijke zoon van de zonnegod Re en de aardse moeder. In het oude Israël leefde een opvatting die hieraan is verwant: de koning werd beschouwd als een door God aangenomen zoon. Door zijn ambt was hij een door God gezalfde. Hij vertegenwoordigde de Eeuwige op aarde en het begrip ‘bij de gratie Gods regerend’ was destijds onomkeerbaar.
Gebleven is de verantwoordelijkheid die het beroep met zich meebrengt. Volgens onze Grondwet zijn de ministers verantwoordelijk en is de Koning onfeilbaar. Niettemin legt het staatshoofd de eed op de Grondwet af en verplicht zich daarmee tot een aantal dingen ‘die een goed Koning schuldig is te doen’.
Psalm 72 geeft Koninklijke taken aan die in onze tijd nog steeds opgeld doen. ‘Hij richte uw volk met gerechtigheid, uw ellendigen met recht’ staat er in vers 2. Een goede koning staat altijd aan de kant van de verdrukten, de achtergestelden, de sociaal zwakkeren. Hij vecht voor ‘rechtvaardige en grote vrede’ (vers 7). Onze Koningin kan vanuit haar positie wel degelijk de strijd om gerechtigheid en vrede sturen. Zij doet dit dan ook met grote voortvarendheid en ongeëvenaarde vakkennis. De grootste republikein zal toegeven dat de Oranjes door de eeuwen hen goed opgeleide managers hebben afgeleverd. Emma, Wilhelmina, Juliana en nu Beatrix, het waren en zijn geen kleintjes. De eerste zin van psalm 72 vind ik, als kookwas-bestendige Nederlander indrukwekkend prachtig: "O God, verleen de koning uw recht, en uw gerechtigheid de zoon des konings." De bede was uiteraard bestemd voor de koning van Israël, maar kan ook moeiteloos worden uitgesproken door onze vorstin. Maar een goed vorst, hoe briljant ook, kan het nooit in zijn eentje. Hij heeft inegere ministers nodig. Minister is trouwens latijn voor dienaar.
Wij hebben dus een Koningin. Omdat we dat zelf willen en zo hebben beslist.
De Koningin zèlf, had zij iets te willen? We hebben haar tot het ambt
geroepen. De manier waarop zij ‘ja’ blijft zeggen is een speciale koninginnedag
waard, nog steeds.
Beatrix betekent: "Zij die geluk brengt". Psalm 72 gaat daarover.
Jos Brink
April 1998, De Duif Amsterdam.
| HGL Nummer
04/98 |