Alet Aalders's overweging, 9-11-1997

Weduwen, net zoals vluchtelingen en wezen, stonden vroeger alleen op de wereld en er was niemand, die voor hen zorgde. Integendeel. De rijken verdrukten hen, en alles wat zij bezaten, verdween vaak in hun hebzuchtige handen. Over zulke rijken staat in Amos 5 vers 12:
"Ik weet immers, hoe talrijk uw misdaden zijn
en hoe talrijk uw zonden;
u kwelt de rechtschapenen
neemt steekpenningen aan
en verdrukt de armen in de stadspoort."

En zo was het nog, eeuwen later, in de tijd waarin de evangelie-lezing werd geschreven.
Maar toch, in al dat verdriet was deze weduwe niet bitter geworden. Zij kwam in de tempel en gooide haar kleine gave in de offerkist.

De Tora schreef het brengen van offers, in de tempel, voor.
Het hele offersysteem was essentieel voor de Joodse godsverering, Wie zich daar niet aan hield, of er niet aan voldoen kon, stond al gauw buiten de gemeenschap.
De weduwe gaf alles wat zij had, om zich ook aan de wet te houden, maar zij zal er zeker op aan gekeken zijn omdat zij zo weinig gaf.
Maar Jezus beweerde iets anders. Zij gaf veel meer dan de rijken.

Het gaat in dit verhaal, mijner inzicht, niet om de geldelijke grote van de offers maar om de waarde van de offers, om de oprechtheid, waarmee ze gegeven worden.
En iets aan de ander geven kan natuurlijk ook zonder geld.
In een begrijpend woord of een luisterend oor bijvoorbeeld, een lieve blik, een kus, een helpende hand, een schouder om op uit te huilen.

En zo kan zelfs een arme weduwe rijker zijn dan de rijken. Een geestelijke rijkdom bezitten. Zij geeft uit liefde tot God en haar mede-mens en niet omdat het nu eenmaal voorgeschreven staat in de wet. Zij geeft eerlijke en echte offers.

Amos klaagt, in de meeste van zijn orakels, de sociale wantoestanten aan. Hij keert zich fel tegen onrecht, ongerechtigheid, uitbuiting van armen en zwakken. En hij laat zich sarcastisch uit over de schijnheiligheid van de eredienst. Hun gezangen en preken zijn niet gemeend en dit werd niet gewaardeerd:
dulden dat er onrecht is, mensen die niet kunnen rondkomen, laten stikken, en tevens keurig je plichten doen, kan niet in de ogen van God. Zulke mensen brengen oneerlijke en geen echte offers.

Echte 'offers' breng je door er te zijn voor je medemens. Een Joodse wijsheid zegt:' Niets wordt met meer winst verkocht dan wat men schenkt aan een vriend die het nodig heeft.' Je bent rijker naarmate je meer liefde aan anderen geeft.

Karel Eykman dichtte:
"Al blies ik trompet
hoog van de toren
al zong ik in koren
de sterren van de hemel, het hoogste lied
maar had de liefde niet
dan klonk het toch net
als toeters en bellen
ik had niets te vertellen
had ik de liefde niet."

Psalm 146 werd geschreven in een slechte tijd, kort na terugkomst uit de ballingschap. De tempel moest nog worden herbouwd, de economie stond er slecht voor en er was en vijandige dreiging vanuit het noorden. Een alles behalve rooskleurige tijd. Het lijkt vreemd dat de dichter zijn medegelovigen toch oproept om God te loven. Hoe is het mogelijk dat de lofpsalm 146 in een tijd ontstaan kon, waarin er werkelijk helemaal niets te juichen was? Hoe kun je God prijzen, terwijl het lijkt of er niets te prijzen valt.
Is een smeekbede niet meer op z'n plaats.
Maar net zo als de arme weduwe kun je in zo'n situatie niet bij de pakken neer gaan zitten. Er is misschien dan geen geld en goed, maar er is meer om voor te leven.

Er spreekt hoop uit deze psalm. Psalm 146 kun je het best een klacht noemen in de vorm van een loflied. Een protestsong: We bedanken ervoor nog langer te geloven in de machthebbers van deze wereld, want dan zullen we er vroeg of laat zelf aan geloven.

God zet zijn hoed niet af voor hen die voorop lopen, de geestelijke leiders in hun lange gewaden, die graag gezien en gehoorzaamd willen worden. Niet zij redden de wereld, maar de kleine mensen die eerst aan anderen denken. Zij moeten ons tot voorbeeld zijn. Zij halen nooit de voorpagina, maar bereiken wel de harten van hun medemensen.

Het loven van de God bestaat niet hierin, dat we eindeloos vrome liederen zingen en ons verbergen achter mooie woorden, maar we zullen moeten begrijpen dat het loven van de God van Jacob zich vooral moet manifesteren in het uitvoeren van Zijn plan.

Wij moeten de geboeiden losmaken, wij moeten de blinden genezen, de gebrokenen door het leed en het onrecht in de wereld oprichten, wij moeten de rechtvaardigen liefhebben, wij moeten zorgen voor de mensen die hier terecht asiel zoeken en wij moeten ons verantwoordelijk weten voor mensen die het minder hebben dan wij.

Het recht moet stromen als water
de gerechtigheid als een nooit opgedroogde beek.

Amen.

| Vervolg Liturgie 9-11-97 | Alet's "Hoofdpagina"|


AM 25-1-1998 | © copyright 'De Duif', Amsterdam | deduif@xs4all.nl