Bijdrage Frans Gerritsma, viering 15 februari 2004
 
 

Voorganger: Frans Gerritsma

Lector: Hans Gildemacher

 
 

foto boven: Frans Gerritsma

     
 

Lezingen

Jeremia 17, 5-8

Lucas 17, 20-26

         
         
 

Overweging

Woorden kunnen heel kostbaar zijn. Sommige woorden, ooit tegen je gezegd, kunnen je, wanneer je ze je weer te binnen brengt, kracht geven. Maar woorden kunnen ook heel vernietigend werken. Je van pijn ineen doen krimpen, wanneer je die woorden weer hoort. Alles wat je dacht dat er aan vertrouwen gegroeid is, kan in een keer door een verkeerd woord onderuit gehaald worden. Zo is er ooit eens tegen me gezegd, dat kun jij toch niet, en het voelde als: jij mag niet meedoen en ik kan nog de woede in me naar boven voelen komen, die dat bij me opriep. Woorden zijn als water, ze kunnen leven geven, maar ook als een vloedgolf je overspoelen.

 

Wanneer Jeremia vandaag zegt; vervloekt hij die op mensen vertrouwt, dan krijg je de indruk dat daar een ervaring achter moet zitten, van een paar keer te veel bedrogen te zijn uitgekomen. De optimistische kijk op de mens, het vertrouwen in goedheid en welwillendheid van de ander, blijkt soms zo veel anders uit te pakken. Nee, als je het van mensen moet hebben, dan kom je niet zo ver. Er blijft dan nog een uitweg over. Je kunt dan maar beter vertrouwen op God. Mensen zijn steeds weer concurrenten van elkaar. God is dat niet en wil het ook niet zijn. Hij wil bondgenoot zijn, dus vertrouw op Hem.

 

Wanneer we zo redeneren, zoals we dat in de lezing bij Jeremia hoorden, vervloekt is hij die op mensen bouwt. Dan is het gevaar groot dat we ons wat al te gemakkelijk laten verleiden om de mens tegenover God te plaatsen. Dat God de bron is van al het goede en de mens de bron van al het kwaad. Dan maken we God los van zijn schepping. De schepping waarbij juist het kunnen kiezen voor goed en kwaad, de menselijke vrijheid bezegelt. Want als God zich ergens voor heeft ingespannen, dan is het wel dat de mens zijn vrijheid moet behouden. Dat was de hoofdtaak van Mozes en al die andere profeten. Een mens geen slaaf mag worden, van welke God of godenbeeld dan ook. Of dat nu is een zich God noemende Farao of een door mensen verheven almachtige Baal. Geen slaaf van welk systeem dan ook.

 

Jeremia zegt dan ook niet alleen maar: "vervloekt is hij die op mensen vertrouwt". Hij zegt er iets essentieels bij. Namelijk die bouwt op een schepsel en zich afkeert van de Heer. Hij kritiseert het gebrek aan vertrouwen in de Heer. Hij kritiseert de angstige mens, die bewijzen en zekerheden nodig heeft, die het leven bouwt op vergankelijke dingen. Die zo belangrijk voor hem worden, dat God er bij inschiet.

 

De mens in al zijn vrijheid staat steeds weer voor de keus, te kiezen. Een voortdurende herhaling die begonnen bij de thora. Kies voor de zegen niet voor de vloek, zoals verwoord in het boek Deuteronomium. Daar verwijst Jeremia vandaag naar. Wanneer hij het heeft over gezegend en vervloekt.

 

Het gaat om twee mogelijke wegen in een mensenleven. De weg ten leven wordt verbeeld door de boom aan het levende water, de boom die wortels heeft. De andere weg wordt verbeeld door de kale struik in de steppe. Want de woorden van God, zijn als levend water, woorden die mensen willen laten leven, woorden die kracht geven. Woorden die je willen laten wortelen in de traditie van God met zijn mensen. Ook al is er een tijd van droogte, dan is er op grote diepte water, tot waaraan de wortels kunnen reiken.

 

Op verschillende plaatsen in de Schrift wordt het woord van God, de wet van God, bezongen als helder water. Wanneer je van dat heldere water ge­proefd hebt, dan treed je niet in overleg met de bozen, dan sta je niet op de weg van de zondaars, dan zit je niet in de kring van de spotters, zoals psalm 1 dat zo beeldend uitdrukt. Dan laat je steeds weer die woorden van God door je heen gaan, om er meer smaak van te krijgen. Proeft hoe God de mens bedoeld heeft.

 

Want het gaat niet om God of de mens, maar God en de mens. We zijn bondgenoten. Dat is het doel van al ons bidden en overwegen, om de band te blijven voelen met een bevrijdende God. Om je te hoeden voor het scheppen van eigen godjes en afgoden, hoe vroom ze er aan de buiten kant ook uit kunnen zien. Kies voor de boom, geplant aan levend water, dan kies je het leven.

 

In het eerste onderricht van Jezus, zoals vandaag verwoord door de versie van Lukas van de Bergrede, echoot dit mee. Klinkt het moment mee dat het joodse volk op het punt staat het beloofde land binnen te trekken. Daar in het land, nu in je leven, daar moet gekozen worden iedere keer weer. Leven en dood houd ik u voor, zegen en vloek. Kies dan het leven.

 

In woorden van Jezus klinkt het zo: zalig zijt Gij….. wee U.

 

Dan blijken de mensen die hun troost al elders gezocht hebben er niet het best aan toe te zijn. Zo ook de mensen die nu al verzadigd zijn, die schijnen genoeg te hebben aan wat ze zich verworven hebben. Mensen die blijven lachen, zonder geraakt te worden door het leed van anderen.

 

Maar het sterkste komt het wel naar voren in: “Zalig zijt gij wanneer omwille van de mensenzoon de mensen u haten, wanneer ze u uitstoten en beschimpen en uw naam uit de samenleving bannen als iets verfoeilijks”. Dat gebeurt waar je maatschappelijk dood wordt verklaard, mensen je voor gek verklaren, omdat je nog gelooft, omdat je je ziel niet wilt verliezen. Omdat je de menselijke belangrijkheid relativeert en je niet door allerlei idolen het hoofd op hol laat brengen. Dan schijn je het dichtst bij de levensopvatting van Jezus te staan.

 

Hier zien we ook, in één zin weergegeven, waar het in het leven van Jezus, en dus ook in dat van zijn leerlingen om zal gaan. Vast houden aan je diepste overtuiging, daarin staande blijven. Het gaat om het woord dat leven geeft. Het woord dat de band legt tussen God en ons mensen. De verleiding weerstaan om het elders te zoeken. Zoals door troost te zoeken in rijkdom. Door je te laten verzadigen met wat het leven niet echt vult. Om oog te blijven houden voor leed en verdriet. Om niet op roem en eer uit te zijn.

 

Wanneer je daar achter staat, daartoe geïnspireerd bent, dan lijk je op een vreemdeling in deze wereld. Want je koopt er niet zo veel voor. Maar wanneer het ons aan zulke profeten ontbreekt, worden we steeds meer de kale struik, die niet meer bij het water komt en op den duur verdort, geen vrucht meer draagt.

 

Steeds weer staan we voor de keuze: zegen of vloek, zalig of wee ... Het is de vraag naar onze wortels. Hoe diep gaan die. De vraag naar het levende water. Dat ons verlangen daar naar uit mag blijven gaan. Dan kunnen we, op den duur, goede vrucht dragen.

       
 

| Archief/Bijdragen | Archief 2004 | Frans' "Hoofdpagina" | Gastvoorgangers |

 
 

RG 2004-02-18 | © copyright 'De Duif', Amsterdam | deduif@xs4all.nl