Bijdrage Henk Kemper, viering 13 november 2005.
 
 

Voorganger: Henk Kemper

Lector: Angela van der Marck

Thema: ... dat mijn lichtje schijnen mag.

 
 

 

 
         
 

Lezing:

Rom. 12; 3-8 en

Matt. 25; 14-30 en 31-46

 
         
 

Inleiding.

Van harte welkom in deze viering van Schrift en Tafel in de Duif. Bekende en nog niet bekende gezichten, wees welkom in dit uur waarin Angela en ik zullen voorgaan.

 

Het thema dat ik deze dienst meegaf is “dat mijn lichtje schijnen mag.” Ik kwam daar op omdat het eergisteren Sint Maarten was. In deze dagen van een goed bestaan was de oogst van lekkernijen voor de kinderen kennelijk groot, want ik hoorde er zelfs eentje zingen: “12 november is de dag dat de tandarts komen mag.” Dit kind werd door zijn begeleidende moeder direct tot de orde geroepen, want zo'n tekst kan niet goed zijn voor de ontvangsten.

In elk geval is 11 november de dag dat herdacht wordt dat ene Martinus zijn jas deelde met een arme zwerver voor de stadspoort. De legende is jullie zeker bekend. Martinus vormde voor die zwerver een lichtpuntje in zijn arme bestaan.

Ik kwam ook op dit thema omdat het vandaag in de lezingen gaat over leven zoals dat in de ogen van God de maatstaf is. Jezus die ons verhalen vertelde en voorleefde hoe je een gemeenschap kunt vormen van mensen die op elkaar betrokken zijn en er bewust voor kiezen om er voor de ander te zijn.

We zullen lezen over schapen en bokken. Daar had ik het afgelopen dinsdagavond met Cees over en hij interpreteerde meteen dat het, als het over oude bokken gaat, wel over hem zou gaan. Ik hoop jullie en ook Cees uit te leggen dat je kunt kiezen of je schaap of bok wilt zijn.

 

In de eerste lezing zal Paulus ons uitdrukkelijk voorhouden dat het geloof de maatstaf is die telt.

Nu moet je weten dat ik Paulus soms een beetje een zeur vindt. Zo iemand die het allemaal wel mooi weet te zeggen, maar het een en ander toepassen is nog vers twee.

Dit keer ben ik van mening dat Paulus gelijk heeft: Onze liefde voor elkaar moet oprecht zijn. En die oprechtheid vormt de basis om er, in alle openheid, voor de ander te zijn. Het is Jezus die ons dat voorleefde. Die ons vraagt dat na te doen. Die ons dat niet voorschrijft, maar ons smeekt, ons wenkt. Die ons niet sleurt en niet duwt. Maar die ons wenkt naar hem toe te komen. Zijn voorbeeld te volgen.

 

Ik wens ons allemaal een goed uur toe.

 

 

 
 

Overweging

 
 

Ik weet niet hoe het jullie vergaat, als je met vakantie gaat, maar ik ben er thuis bekend om dat ik, voordat ik in de auto stap, alle deuren en ramen persoonlijk heb gesloten. En om er helemaal zeker van te zijn dat alles netjes is afgesloten maak ik neurotisch nog een tweede rondje door het huis om mijzelf er van te overtuigen dat alles inderdaad al was afgesloten.

De familie ligt tot ver voorbij Antwerpen gekreukeld van het lachen op de vloer.

In de Mattheuslezing van vandaag gaat een man op reis die nog wat verder gaat dan het afsluiten van zijn huis. Hij verdeelt zelfs zijn bezit. Zoals de lezing aangeeft verdeelt hij wat hij heeft onder zijn dienaren. De een krijgt meer dan de ander. De een krijgt vijf talenten, de tweede twee talenten en de derde slechts één talent.

 

Hier is sprake van een bijzonder heerschap: ik heb nog nooit mijn banksaldo verdeeld onder de mensen als ik wegga. Maar ik heb natuurlijk geen dienaren. En mijn banksaldo is ook al niet zo spannend. En toch..... die heer is een nadere beschouwing waard. Voor je het weet lees je over een aantal aardige details heen.

Kennelijk heeft de heer nagedacht over wat hij de een en de ander zou geven. Er staat immers: “aan de een gaf hij 5 talent, aan een ander twee en nog een ander één. Ieder naar wat hij aankon.”

Die laatste mededeling : “Ieder naar wat hij aankon” trekt de aandacht. Deze heer schatte kennelijk in wat zijn afzonderlijke dienaren aankonden. Zijn inschatting vertrouwde hij hen toe. Tegelijkertijd vertrouwde hij daarmee volledig op zijn eigen inschatting. Het is de vraag of die inschatting bewaarheid werd. Ik kom daar nog op terug.

 

Als je het verhaal verder leest, en dat deden we zojuist, dan blijkt dat de dienaren elk op hun eigen manier omgingen met het hun toevertrouwde geld. De eerste was kennelijk even gewiekst als de heer zelf. Hij verdubbelde de vijf talenten.

De tweede was al even gewiekst en verdubbelde eveneens het hem toevertrouwde geld.

Alleen de derde vormde een andere categorie: hij deed niets met het geld; hij begroef het omdat hij dat wat hem was toevertrouwd niet wilde verliezen.

Op zichzelf is het geen slechte eigenschap dat je niet wilt verliezen wat een ander je heeft toevertrouwd. Wij zouden toch niet graag zien dat degene die op je huis past, als je thuis komt van vakantie, besloten heeft je huisraad te verkopen.

Maar hier in de bijbel heeft alles een andere betekenis. Het is Jezus die deze gelijkenis vertelt aan zijn toehoorders.

Bij de voorbereiding kwamen we er achter dat in dit verhaal eigenlijk niet één sympathieke speler schuilt. De eerste twee dienaren zijn net als de heer die van huis is woekeraars met hun geld. De derde is maar een slome die geen risico's durft te nemen en uit angst zijn geld in de grond stopt.

En die heer dan, is dat een sympathiek figuur ? Bij zijn thuiskomst verwacht hij dat er munt is geslagen uit zijn geld. Hij had immers aan zijn dienaren iets toevertrouwd. Hij had er alleen niet bijgezegd dat ze het geld moesten gebruiken voor het maken van winst. Op de derde dienaar reageert hij niet teleurgesteld; hij reageert furieus en laat hem er uit gooien. Hij vraagt zichzelf niet eens af of hij zelf de dienaar verkeerd inschatte. Er staat immers aan het begin van het verhaal dat elke dienaar toevertrouwd kreeg wat hij aankon in de ogen van die heer. Zou het kunnen dat de heer de dienaar verkeerd inschatte; het komt in zijn gedachten niet op.

 

Misschien dat die derde dienaar zijn heer niet zo verkeerd inschatte. Hij beticht de heer van oogsten waar hij niet gezaaid heeft. Een behoorlijke verdachtmaking. Er staat zoiets als: roven van een ander wat niet van jou is of waar je in elk geval zelf niets voor gedaan hebt. Pakken wat je pakken kan, als het winst brengt is alles toegestaan.

 

Jezus was er goed in gelijkenissen te vertellen. Deze gelijkenis gaat natuurlijk over de tijd dat Jezus de wereld verlaten heeft en dat mensen het zelf moeten doen. Dit wordt in relatie gebracht met de talenten die mensen hebben.

In de bijbelse teksten zijn talenten de valuta van toen. Het aardige is dat het woord talenten voor ons ook een andere betekenis heeft. De betekenis van kwaliteit. Dat waar je goed in bent. Dat wat, om het maar eens zo te zeggen, een Godgegeven talent is dat je voor anderen zou kunnen aanwenden.

 

En zo komen we langzaamaan bij een koppeling tussen de tweede lezing en de derde. De derde lezing is de voortzetting van Jezus' uitleg aan de mensen. Na de gelijkenis van de heer en zijn dienaren en de talenten gaat Jezus verder met een uitleg die ons misschien meer aanspreekt. De bekende uitleg dat je goed moet proberen te zijn voor hen die dat nodig hebben. De uitleg dat je dorstigen en behoeftigen moet helpen. Mensen in de gevangenis moet bezoeken en zij die naakt zijn moet kleden. Maar er staat in de context van de uitleg ook dat je dat niet moet doen omdat je dat bewust doet. Er staat dat dit een houding moet zijn die uit jezelf komt. een vanzelfsprekendheid die jou zo eigen is geworden dat je het zelf niet eens meer in de gaten hebt.

 

Zwart-wit als de bijbelverhalen vaak zijn spreekt Jezus hier over schapen en bokken die aan het einde der tijden gescheiden zullen worden. De vraag is nu of je schaap of bok bent. Of beter gezegd: of je er voor kiest schaap te zijn of bok. Want er ligt wel degelijk een keuze aan ten grondslag. In dit leven kun je er voor kiezen behulpzaam te zijn en mensen te helpen. Je kunt er ook voor kiezen om alleen je eigen leven te leven en voor een ander geen oog te hebben.

De keuze is aan jou. Jezus vertelt alleen maar dat het niet moeilijk is om anderen te helpen, klaar te staan voor mensen die in een fase van hun leven alle denkbare steun kunnen gebruiken. Op dat moment behoor je klaar te staan.

 

Moeten altijd dezelfde mensen klaarstaan om te helpen ? Je weet wel hoe dat gaat; als het op hulp aankomt dan zijn vaak dezelfde mensen aan de beurt. Doe jij dat maar want dat kun jij zo goed !

Het is Paulus in de eerste lezing die ons een handreiking biedt. Samen vormen we één lichaam met allemaal verschillende onderdelen, ledematen. Elk ledemaat heeft een eigen functie, een eigen talent. Zo moet het ook met ons als gemeenschap zijn: de een is goed in het bieden van hulp. De ander beter in iets anders. Ieder moet zijn talent gebruiken zoals dat nodig is. Maar samen vormen we één lichaam, één gemeenschap.

 

Ik stap nog even terug naar de heer uit het verhaal.

Misschien wilde die heer uit het verhaal van de talenten wel eens op reis gaan om zijn dienaren op de proef te stellen. Wat zou er gebeuren als ik zelf wegga, vroeg hij zich misschien af. Hoe zouden de dienaren dan omgaan met hun talenten. Wenden ze het aan en doen ze er iets mee. Of verbrassen ze het alleen. Of stoppen ze het in de grond om er niets mee te doen.

 

Aan ons ligt diezelfde keuze voor. Jezus is verdwenen en we kunnen alleen maar nadoen wat hij ons voorleefde.

Gebruiken wij onze talenten om er goede dingen mee te doen, of houden we ze voor onszelf. Doen we er misschien niets mee. Ook dat is jammer. We hebben onze talenten niet gekregen om er niets mee te doen. We moeten ze gebruiken om een licht te zijn in deze wereld. Een licht dat zo helder straalt dat het de omgeving verlicht. Dat het een soort van olievlekwerking krijgt op de rest van de wereld.

 

Eergisteren liepen er weer talloze kinderen door de straten met hun Sint Maarten-lampions. Naar goede gewoonte bellen ze aan in de hoop dat de mensen opendoen en ze iets lekkers krijgen. Ze zingen er liedjes bij: “11 november is de dag dat mijn lichtje branden mag.”

 

Ons eigen talentvolle lichtje hoort te schijnen voor anderen. Zonder dat het ons moeite kost. Belangstelling tonen, echte interesse in de ander is wat telt.

Iedereen heeft in zijn dagelijkse leven veel kansen om iets voor een ander te doen, als je het maar wilt zien, als je je lampion er maar op richt. Anderen helpen, je talent gebruiken, je licht laten schijnen voor de ander, het is niet zo moeilijk.

 

Kinderen bellen op 11 november aan in de hoop dat de mensen hen iets lekkers geven. In de meeste gevallen door het jaar heen wordt er niet aangebeld maar moet je zelf een antenne hebben om op te pikken dat je een ander tot steun moet zijn. Dat vereist een goed oog voor je medemens. Dat vereist interesse en aandacht.

 

Sint Maarten deelde volgens de legende aan de stadspoort van Trier zijn jas aan een naakte bedelaar. Een rechtstreekse toepassing van het evangelie van Mattheus. Als wij het hele jaar ons best doen om er te zijn voor de ander, dan schijnt het licht het hele jaar. Dan is het het hele jaar een soort van 11 november. Laten we proberen daarnaar te leven. Moge het zo zijn.

 

Nodiging

Wij zijn allemaal genodigd aan de tafel die Jezus voor het eerst inrichtte voor allen die er voor kiezen te leven in Zijn Geest.

Wekelijks vieren we brood en wijn in de overtuiging dat we ons sterken aan zijn woorden en dat we er voor kiezen om in de week die er was en die voor ons ligt in te zetten voor het welzijn van onze medemens.

Een steuntje in de rug kan geen kwaad.

Iedereen is genodigd naar deze plaats te komen en deel te nemen aan het teken van brood en wijn. Zoals Jezus dat voor het eerst deed en zoals wij dat ontelbare keren hebben nagedaan tot zijn gedachtenis.

Komt, wie je ook bent en welke achtergrond je ook hebt. Kom je sterken aan het teken van brood en wijn, teken van je verbond met God en je medemens.

Komt want alles staat klaar.

 

Gebed

Heer, wij hebben dit uur stilgestaan bij hoe we in het leven staan.

Dat we een keuze kunnen maken er te zijn voor een ander.

Het feit dat we hier samen komen geeft aan

dat we de intentie hebben

samen een goede gemeenschap te zijn.

Een gemeenschap van mensen die er voor kiest

er te zijn voor de ander die dat nodig heeft.

Soms gaat dat goed.

Soms gaat dat minder.

Het is onze menselijke neiging

om de dingen die niet goed gaan uit te vergroten.

En zeker, we moeten streven naar het goede voor eenieder.

Maar we mogen ook blij zijn met de dingen die goed gaan.

Die dingen sterken ons in het geloof dat het mogelijk is

er echt te zijn voor de ander.

 

Soms moeten we een lichtje zijn voor de ander.

Een andere keer hebben we zelf een lichtje nodig.

Leer ons zowel lichtje te zíjn

als om een lichtje te vragen.

En geef dat we elkaar kunnen bieden wat we nodig hebben.

 

Bidden we nu samen het Onze Vader

 

Slotgebed

We zijn aan het einde van deze viering gekomen. Hopelijk hebben we in woord en muziek iets aan kunnen reiken waar we de komende week in ons doen en laten iets aan hebben.

We spreken elkaar straks bij de koffie of de thee. Maar niet voordat we tot slot de zegen van onze schepper vragen:

 

Heer,

Bij u mag iedereen zichzelf zijn.

Bij u kán iedereen zichzelf zijn,

maar op uw voorwaarde: blijf bij elkaar.

Blijf allen één naar eigen aard en inzicht.

Want samen kunnen wij gestalte geven aan uw plan,

uw rijk van liefde.

Zegen

 

Wij vragen u:

Laat uw zegen doorschitteren in ons doen en laten

Laat ons de dingen doen en zeggen die u bedoeld hebt

en die tot zegen zijn van uw gemeenschap.

Wij vragen uw zegen over de komende week

 

Moge de Heer ons zegenen en behoeden.

Moge de Heer de glans van Zijn gelaat over ons spreiden en ons genadig zijn.

Moge de Heer Zijn gelaat naar ons keren en ons vrede schenken.

 

In de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest.

Amen.

 

 

 
     
     
     
     
     
     
     
       
 

| Voorgangers |

 
 

RG 2005-11-14 | © copyright 'De Duif', Amsterdam | deduif@xs4all.nl