Bijdrage Frans Gerritsma, viering 30 december 2007
 
 

Voorganger: Frans Gerritsma 

Lector:  Angela van der Marck

 
 

 

     
 

Thema: Zegen en lofzang

Lezingen:

Numeri 6; 22-27.

Jezus Sirach 6; 22-27

Lucas 2; 25-32

 

Inleiding.

Goede morgen, bekenden en onbekenden.

Welkom bij deze viering, waarin Angela van der Marck mee voorgaat,

Zij vervangt Yvonne van der Velden, die door de griep geveld is.

Fijn dat U gekomen bent.

Deze viering staat in het teken van de overgang van oud naar Nieuw

En als thema hebben we gekozen. “Zegen en Lofzang”.

 

Bij zegen weten we allemaal, dat we dat nodig hebben

bij al ons doen en laten, opdat het goed gaat, goed komt.

 

Lofzang, lof zingen.

Dat doen we niet zo gauw, want er is vaak wel iets wat dat in de weg staat.

Lof is eigenlijk het allerhoogste, en wie bereikt het allerhoogste.

Wie is lof waard.

Er is meestal wel iets dat ons weerhoudt om lof te zingen.

Ja, ook tegenover God houden we ons in.

We hebben zo onze vragen en twijfels,

en zien zoveel dat niet goed gaat,

en als hij er mee te maken heeft, dan willen we eerst

daarover wel eens een goed gesprek hebben.

 

Maar wanneer we dankbaar zijn,

dan kunnen we het uitzingen,

gebruiken we woorden van lof en dank

die rechtstreeks uit ons hart komen.

 

Zegen en lofzang

daar willen we in deze viering bij stilstaan.

 

Overweging.

Het licht over iemand laten schijnen, duidt op een grote welwillendheid. Een ruimte om er te mogen zijn. Dat is ook wat me in de zegen die we gelezen hebben opviel. De toewending van God naar de mens. Dat God het licht van zijn gelaat over je zal doen schijnen en je genadig mag zijn. Ruimte, adem, om te leven.

En dat sluit goed aan bij onze wil en ons verlangen. We voelen ons leven, wanneer we met welwillendheid door onszelf en anderen worden bekeken. Je mag er zijn. Dat kan je een blij gevoel geven, je kunt er zelfs verliefd op worden en je vol geluk en dankbaarheid stemmen. Het doet je in het goede geloven, in jezelf en in de ander. Soms kun je dat uitzingen en spontaan dank je wel God zeggen. Toch goed en fijn dat er zo'n God is. We kunnen ons dan goed vinden in de woorden van Jezus Sirach, die een en al lof is over de schepping. Hoe mooi alles in elkaar zit. Alles klopt. Het is niet zo moeilijk om op zulke momenten God alle lof toe te zwaaien. Of om met de oude Simeon te spreken: “Laat nu Heer uw Dienaar maar in vrede gaan Want mijn ogen hebben de redding gezien die u bewerkt hebt ten overstaan van alle volken”.

Maar aan zulke lofzangen, aan zulk een zegen, zijn vaak heel wat tranen, tranen van onmacht en ongeloof, worsteling en verdriet voorafgegaan. Het kwade, het verdriet en ook nog al eens de boosheid en woede over het lot dat mensen beschoren is, roept geen zegen op maar eerder een vloek, of samengebalde onmacht. Ik wil en kan niet geloven in de hand van God, en zeker niet in een straffende vinger Gods in de dood van de vier kinderen in Arnemuiden, of de ongeneeslijke ziekte die een jonge Vader overkomt. Al die gebeurtenissen, die ons leven onderuit halen en ons blind maken voor de zin van dit alles. We weten er gen raad mee. Zelfs de meest zware predikant kan daar geen zinnig woord over spreken of hij weet niet waarover hij het heeft.

De aanwezigheid van God ervaren we in het goede en soms in de kracht die we krijgen om niet ten onder te gaan aan wat we in ons leven moeten doormaken, omdat we door verlies in een leegte terecht zijn gekomen of ons zelfvertrouwen ons in de steek laat. God is liefde, God is licht.

Dat zijn de beelden die met kerstmis weer in vele toonaarden geklonken hebben en door overal kaarsen en lichten te ontbranden drukken we uit dat in duisternis licht is. Een geloof dat niet altijd met woorden is uit te drukken. Want het gaat dan toch om de welwillendheid van mensen, hun diepste verlangen. Mensen waarin God behagen schept. God is afhankelijk van de welwillendheid van mensen

Het gaat om de toewending van mensen naar elkaar, daarin wordt de liefde van God zichtbaar. Dan gaat het om meelijden, compassie, elkaar dragen in de passie van verdriet, maar ook in de passie van verbondenheid en liefde. We kunnen het ongeluk niet wegnemen, we kunnen helpen dragen, een luisterend oor aanbieden, en onze voortijdige en clichématige antwoorden inslikken. Een gebaar van er zijn, een hand om de schouder heengeslagen. We kunnen geluk niet maken, maar er voor openstaan en in welwillendheid, ruimte scheppen voor elkaar. Zo kunnen we echt tot leven komen. Elkaar het gevoel geven dat je ondanks alles er mag zijn.

In het “er zijn” voor elkaar, maken wij de naam van God tot onze naam. Want zijn naam is “Ik zal er zijn”. Niet alleen in je vreugde, maar ook in je onmacht en verdriet, in lijden, ja zelfs in de dood, wil hij er bij zijn. In zo'n God is geen ruimte voor kwaadwillendheid, dat is een en al welwillendheid, ook al begrijpen wij er niets van. Die naam is ons tot zegen. Daar mogen we blij om zijn, daar mogen we onze lof over uitzingen. Daarin mogen we de grootheid van God ontdekken.

Gezegend worden met de naam van God is, zijn Licht over ons laten schijnen door je open te stellen voor de goddelijke kracht in jezelf. Is je openstellen naar de ander toe. Om vanuit dat goddelijke vermogen, de liefde, die in je is, elkaar te hoeden en te dragen.

Soms is het al een zegen in je leven wanneer je al wat je de adem beneemt en je leven verstikt, uit handen kunt geven. Uit handen aan een God, die in al zijn welwillendheid, daaraan dan maar een plaats moet geven. Die dingen en gebeurtenissen waar we zelf geen plaats aan kunnen geven.

Een nieuw jaar staat voor de deur. We mogen achter ons laten, aan God terug geven wat ons verstikte en de adem ontnam. We mogen ook in lofzang aan God terug geven al wat leven gaf en als genade ervaren werd.

We mogen meenemen naar het nieuwe jaar ons vermogen om voor elkaar zo goed als God te zijn. Moge hij ons zegenen, benedicere, het goede ons toezeggen.

Zodat ook wij zijn lof kunnen zingen.

         
         
   
       
 

| Archief/Bijdragen | Archief 2007 | Frans' "Hoofdpagina"Gastvoorgangers |